12-07-2019

Landschapsfotografie. Iedereen die iets aan fotografie doet heeft zich er waarschijnlijk wel eens aan gewaagd. Het is ook een hele goede vorm van fotografie om mee te beginnen als je je camera nog moet leren kennen. Het landschap is er, het gaat nergens heen. Je kan op je gemak de camera instellen. Het is niet dat je een fractie van een seconde hebt om het duingebied vast te leggen voordat het besluit weer vrolijk weg te huppelen tussen de bomen, zoals bij bijvoorbeeld wildlife fotografie wel het geval is. Een mooi meer in de bergen van Italië is niet in staat tot het scoren van een winnend doelpunt tijdens een voetbalwedstrijd. Het water ligt daar maar te liggen en de bergen gaan ook nergens heen. Toch is het maken van mooie landschapsfoto’s geen makkelijke opgave.

Zoals bij elke vorm van fotografie zijn licht en compositie heel erg belangrijk. De "regel van derden" wordt bij landschapsfotografie bijvoorbeeld erg veel toegepast door de horizon op 1/3e van het beeld te zetten zodat de lucht benadrukt wordt. Zet je de horizon op 2/3e, dan wordt juist de grond benadrukt. Maar ik wil het nu eens ergens anders over hebben dan over de standaard compositierichtlijnen. Bij landschapsfotografie dien je, naast de gebruikelijke compositierichtlijnen (of eigenlijk als onderdeel van de compositie) rekening te houden met twee hele belangrijke aspecten: diepte en perspectief (het gevoel van grootte in dit geval).

Misschien heb je wel eens meegemaakt dat je bij dat mooie uitgestrekte meer stond, dat je een foto maakte en dat het landschap op de foto heel plat oogde. Of dat je een foto van bergen probeerde te maken maar dat het er op de foto niet veel hoger uitzag dan de Vaalserberg in Limburg. Aan de hand van een aantal voorbeelden ga ik proberen uit te leggen hoe dat kan en hoe je diepte en grootsheid aan je foto’s kunt geven. Voorwaarts!

2D vs 3D - foto vs realiteit 

De wereld om ons heen is opgebouwd uit drie dimensies, te weten: hoogte (y), lengte (x) en breedte (z). We hebben twee ogen gekregen om deze diepte waar te nemen. Eigenlijk zijn onze ogen twee objectieven met een net iets andere compositie die, als ze deels over elkaar heen worden gelegd, diepte geven aan het beeld dat we waarnemen. 3D-filmtechnologie is gebaseerd op hetzelfde principe. 

Een camera is wat minder bedeeld op het gebied van objectieven en heeft er slechts één. Dat betekent dat de camera niet alle drie de dimensies kan vastleggen. Een foto is dan ook een tweedimensionaal beeld met enkel een x en een y as.

Zoals te zien is op bovenstaande figuur, ontbreekt in een foto de virtuele z-as, oftewel, de diepte in de foto (de fysieke foto) bestaat niet. 

Een fysieke z-as toevoegen aan een foto is toekomstmuziek, die wellicht met hologrammen kan worden behaald. Maar dat betekent niet dat we in het hier en nu geen virtuele z-as kunnen toevoegen. 

Door slim gebruik te maken van objecten op de voor- en achtergrond en door gebruik te maken van leidende lijnen of zogenaamde verdwijnpunten, kunnen we toch een virtuele diepte creëren daar waar deze niet bestaat. We voegen als het ware een z-as toe aan de foto. Laten we eens kijken naar een voorbeeld. 

Bovenstaande foto, genomen op een namiddag in de winter,  heeft een virtuele z-as in de vorm van het zeeschuim van de zee dat het strand op stroomt. De z as wordt benadrukt door het contrast tussen het schuim en het zand. Dit geeft de foto een 3d-effect. Als we kijken naar onderstaande foto krijgt de foto ook diepte door de virtuele z-as die gecreëerd wordt door het duin en de weg. 

Waar hier echter ook gebruik van is gemaakt, is een zogenaamd verdwijnpunt. Als je alle leidende lijnen volgt, kom je in het midden van de foto uit, zoals te zien is op onderstaande foto.

Oke, we weten nu dat je diepte in een foto kunt krijgen door gebruik te maken van leidende lijnen (een virtuele z-as). Een andere manier om diepte in een foto te krijgen is door gebruik te maken van elementen op de voor- en achtergrond. 

Objecten voor in de foto, die dus het dichts bij het objectief staan, worden logischer wijs groter weergegeven dan objecten die verder weg staan. Dit effect is voornamelijk aanwezig met groothoekobjectieven, die veelal gebruikt worden bij landschapsfotografie. Door slim gebruik te maken van het verschil in grootte, of door een duidelijke scheiding tussen voor- en achtergrond, kan ook een gevoel van diepte gecreëerd worden.

Door het kind op de voorgrond (groot) en de zwemmende kinderen op de achtergrond (klein), krijgt de foto een gevoel van diepte, zonder dat er hele duidelijke leidende lijnen aanwezig zijn.

Op onderstaande foto zijn de planten gebruikt om diepte te creëren in de foto. De planten zijn op de foto veel groter dan de waterval, terwijl dit in werkelijkheid andersom is. Ons brein registreert dit als diepte.

Dat brengt mij direct op mijn volgende punt. Nu we het hebben gehad over de virtuele z-as en het gebruiken van voor- en achtergrondelementen, wordt het tijd om het te hebben over het perspectief, in dit geval het gevoel van grootte.

Kijk eens naar onderstaande foto.

Op zich een hele mooie locatie, scherpe foto, mooie waterval, rotsen op de voorgrond, een leidende lijn aan de rechter waterkant, maar toch mist er iets op deze foto. Je hebt namelijk geen enkel idee hoe groot die waterval eigenlijk is. Hij zou 100 meter hoog kunnen zijn, maar ook 5 meter. Dit komt omdat er niets in de foto te vinden is, dat ons vertelt hoe hoog de y-as is of hoe breed de x-as. 

Om perspectief toe te voegen aan de foto, is het belangrijk te zorgen dat er elementen in de foto aanwezig zijn, waarvan het menselijk brein weet hoe groot het ongeveer is. 

Onderstaande foto is gemaakt op het strand van Egmond. De foto oogt saai, omdat de kijker geen idee heeft van de grootte van het strand. 

Voegen we een object toe waarvan de kijker ongeveer weet hoe groot het is, mensen bijvoorbeeld, dan is er opeens een referentie voor de x en y as en krijgt de kijker een heel ander perspectief.

Nu we weten hoe je een z-as kunt toevoegen aan de foto's en de kijker een idee kunt geven over de grootte (de schaal) van de x-as en de y-as, is er nog één  onderwerp te bespreken, namelijk de invloed van het objectief dat je gebruikt voor de foto. 

De meeste fotografen grijpen bij landschapsfotografie naar een groothoekobjectief. Als ik een groothoekobjectief gebruik, met een weide beeldhoek,  registreer ik in de breedte meer van het landschap. De x-as wordt dus groter. Als de y-as hetzelfde blijft (de bergen worden niet opeens hoger) krijg ik dus een gevoel van weidsheid. Het voordeel van weidsheid is dat je glooiende grasheuvels en uitgestrekte stranden, zoals in bovenstaande voorbeelden,  veel imposanter in beeld kunt brengen. Omdat je vaak relatief dichter op de voorgrond staat, oogt de afstand tussen voor en achtergrond ook groter en wordt daardoor belangrijker. Een groothoekobjectief (meer x-as) is uitermate geschikt voor landschappen die zelf ook uitgestrekt zijn, maar minder voor bijvoorbeeld imposant hoge bergen. Omdat de voorgrond groter oogt, oogt de achtergrond (de bergen) kleiner. 

Gebruik je een telelens (ja dat is bij landschappen ook prima mogelijk), dan heb je relatief gezien een kleinere x-as (je "zoomt in"), oftewel je vangt minder van de omgeving. Wil ik de bergen op de foto, zal ik verder weg moeten gaan staan. Omdat ik verder weg sta van de voorgrond, wordt de visuele afstand tussen de voor- en achtergrond kleiner. Dit wordt compressie genoemd. Het beeld wordt als het ware plat gedrukt. Omdat ik verder weg sta, en de afstand tussen voor- en achtergrond relatief gezien veel kleiner is, worden bergen veel imposanter op de foto weergegeven dan bij groothoek. Als je de berg volledig op de foto wilt hebben (de y-as blijft hetzelfde), zul je uiteraard wel verder weg moeten gaan staan. 

Licht

Hoe kan het ook anders dat ik het, naast diepte en perspectief, ook nog even kort wil hebben over licht. Voor landschapsfotografie (en vele andere vormen) is een strak blauwe lucht met felle zon op zijn hoogste punt een hel, net als een strak grijze lucht. Het liefst hebben we diffuus licht, gecreëerd door een mooi wolkendek, mooi warm licht uit het gouden uur, of het mysterieuze licht van het blauwe uur. Gelukkig komt de zon altijd aan dezelfde kant van de aarde op en gaat hij aan de andere kant onder (op in het oosten, onder in het westen) dus we kunnen redelijk voorspellen hoe de zon zal staan. Probeer rekening te houden met de zon en het licht. Kijk naar het weerbericht, Google de tijd dat de zon ondergaat (1 uur daarvoor is het gouden uur, 1 uur daarna het blauwe uur ) en beredeneer aan welke kant van het meer je wilt staan voor de zonsondergang, of dat je beter bij zonsopgang kan gaan fotograferen. 

Conclusie

Zo, dat was een heel verhaal. Kort samengevat komt het er op neer:

- Creëer een virtuele z-as in foto's door leidende lijnen, een verdwijnpunt en/of voor- en achtergrond elementen.

- Geef een gevoel van grootte (schaal) mee door het implementeren van objecten waarvan we ongeveer weten hoe groot ze zijn.

- Voor weidse landschappen meer x-as (groothoekobjectieven) waarbij de voorgrond veel groter weergegeven wordt dan de achtergrond.

- Voor bergachtige landschappen gebruik je minder x-as (teleobjectief) waarbij compressie optreedt die de imposante hoogte weergeeft. 

- Het weer en tijdstip van de dag zijn heel belangrijk en kunnen (redelijk goed) worden voorspeld.

Hopelijk was deze blog weer leerzaam. Mocht je nog vragen hebben, stel ze gerust via het contactformulier of zoek me op op Facebook! Tot de volgende blog!

Powered by SmugMug Owner Log In